 |
 |
De prijsvraag voor de modernisering van het ziekenhuis Cognacq-Jay stond in het teken van een complex programma. De oiiopgemerkte tragiek van het dagelijks bestaan in een hospitaal kent zelden een ander decor dan doorsnee-architectuur. Het ziekenhuis nodigde vijf architecten uit - Architecture Studio, Chemetov + Huidobro, Dominique Perrault, Jean Nouvel en Toyo Ito - om te onderzoeken of zij iets bij kunnen drag en aan de kwaliteit van een ziekenhuis dat zich onder andere ten doel stelt zo zorgvuldig mogelijk te zorgen voor terminate patienten. Het ontwerp van de laureaat Toyo Ito wordt verder uitgewerkt. Realisatie is voorzien in 2003.*1
Wat troffen de architecten aan? Een klein zieken-huis, tussen de rue Blomet en de rue Eugene-Millon in het 15de arrondissement van Parijs, twee nauwe straten met aansluitende gebouwen van zes verdiepingen. In die gevelmuren vormt het ziekenhuis de enige opening: het bestaat uit twee verdiepingen hoge, dwars op de straten staande, bakstenen paviljoens, te midden van een wilde tuin met tafels en banken, een vijver, een plantenkas, een kapel. De als liftboy in de hal geplaatste etalagepop en de kleurige fresco achter de balie doen hier geen ziekenhuis ver-moeden, evenmin als de stoffen bankstellen, een piano, planten, foto- en schilderkunst. Een ver-dieping hoger toch de betegelde gangen, op een kier staande deuren, kamers met een bed. Op een tafel een boek waarin familieleden getuigen van hun ervaringen. Het ziekenhuis richt zich vanaf 1978 onder andere op de palliatieve verzorging van terminale kankerpatienten. Ongeveer vier-honderdvijftig mensen worden ieder jaar opge-nomen. J.-L. Fidel, de directeur: 'We zeggen nooit "u bevindt zich hier om te sterven". Er zijn ook patienten die genezen, je weet nooit hoe het zal gaan.' Men streeft naar 'het handhaven van de intellectuele autonomie, de capaciteit om na te denken, zodat een patient zich zelf beetje bij beetje van het naderende einde van zijn bestaan bewust kan worden.' Verdere taken bestaan uit het behandelen van post-operatieve lymfoedemen en neurologisch letsel bij aidspatienten. Gezocht wordt naar een persoonlijke benadering van de patient.
Complex programma
Wat werd van de architecten gevraagd? Ten eerste de modernisering en reorganisatie van het op een terrein van 4980 m2 staande en uit 1922 daterende ziekenhuis, dat door een fusie gaat uitbreiden van 72 tot 168 bedden. Er komen een afdeling orthopedic en een centrum voor autistische kinderen bij, waarna het ziekenhuis uit drie hoofdafdelingen zal bestaan. Technische diensten en parkeerplaatsen dienden in kelderverdiepingen te worden gesitueerd. Daarnaast was er ook sprake van conservering: alle zieken kamers moesten aan de tuinkant blijven, de tuin zelf intact gelaten; het huiselijke karakter van de bestaande lage bebouwing wordt op prijs gesteld. De verpleging en de vrijwilligers hebben een sterke band met het gebouw, symbool voor de eigen sfeer die men wenst te handhaven. Het opnieuw creeren van die kwaliteitsvolle omgeving maakt daarmee ook deel uit van het programma. Een laatste wens was de integratie in de wijk, het aansluiten van de gevels aan de straatcontour, terwijl een zekere architectonische soberheid de functie van het gebouw diende weer te geven. Hoe vertaalde men dit programma, de aangetroffen menselijke realiteit, en de wens tot handhaven van kwaliteit, naar architectonische vormen?
Formele antwoorden
In alle vijf de projecten wordt het terrein afgesloten door twee parallel lopende gebouwen. Alle Europese architecten tekenen daar een verbindingsvleugel met gemeenschappelijke ruimten tussen en komen uit op dezelfde H-vormige plattegrond. Architecture Studio legt een enorme glazen sculptuur dwars over net terrein en door de gebouwen heen, en plaatst daarin openbare diensten en vervolgbehandelingen, wat ook het geval is in de op pijlers gezette 'brug' van Nouvel, en in de gebroken, verschoven vleugel van Perrault. Onder het motto 'nous maintiendrons'*2 laten Chemetov + Huidobro een paviljoen staan, verpakken een oude gevel in glas en keren het bestaande hoofdgebouw als het ware binnenste-buiten.
Ito daarentegen situeert de openbare en gemeenschappelijke ruimten in de twee ranke vleugels met glazen gevels en zet aan de binnenkant daarvan drie blokken met kamers. De functies zijn van buiten naar binnen, van open-baar naar prive gedifferentieerd; de paviljoens in de tuin geven de benodigde intimiteit. Daarmee houdt Ito alle kamers weg van de straatkant, en respecteert als enige dit essentiele programma-punt. De als twee puzzelstukken uit elkaar getrokken delen zijn verbonden via een onder het terrein doorlopend souterrain met gemeenschappelijke behandel- en onderzoeksruimten. Door gebouwen verschillende functies toe te kennen en daarvoor kenmerkende vormen of materialen te geven, handhaaft Ito herkenbaar-heid en het kleinschalige karakter: de naar de stad gerichte glazen huid verschilt sterk van de houten bekleding op de gevels van de klassiek modernistische blokken.
Stedelijke interactie en ruimtelijke variatie
Dat vereiste stedelijke integratie een formeel spel kan worden, bewijst Architecture Studio met het imiteren van Parijse daken, Chemetov door het oude in het nieuwe te citeren, en Perrault met het terugvallen op het klassieke 'hotel particulier'. In plaats van te historiseren, interpreteren Nouvel en Ito terecht stedelijke integratie als actieve interactie: Nouvel plaatst kamers aan de straatkant, moet dus zijn gevels sluiten, maar gunt de stad ruime doorkijken op de tuin door zijn gebouw op pijlers te tillen. Een met glazen wanden beschut dakterras geeft patienten de mogelijkheid een zeker contact met de stad te houden. Ito structureert het huizenblok door een voor de rest van de wijk zichtbaar groen hart af te schermen met half-transparante 'filters' die een, beheersbare, continu'iteit tussen stad en ziekenhuis, stad en tuin verzekeren. Net als Nouvel plaatst hij op deze gevels naar de stad gerichte wandelgalerijen.
De wettelijk beschermde tuin wordt door Chemetov + Huidobro verdeeld in drie delen, waarvan een is overdekt. Architecture Studio zet op glas gezeefdrukte bomen in de tuin en levend groen op de glazen gevels en creeert een binnen-plaats waarop kamers uitgeven. Nog zo'n donker pleintje bij Perrault die dat denkt te compenseren door het gebouw te laten overwoekeren met een monocultuur van bamboe. Nouvel garandeert zowel continu'iteit als licht door een 'glasbrug' over de tuin te laten lopen, waarvan de ramen's zomers open kunnen. In de visie van Ito is het park veel meer dan zo'n verplichte, verknipte groenstrook: de zich om de losse paviljoens slingerende complexe maar toch continue tuin is het bindende principe tussen de losse gebouwen. Architectuur en natuur grijpen als het ware in elkaar, wat is benadrukt door de drie ingangen via de tuin te laten lopen. De tuin is tot het kleinste detail en naar beste Japanse traditie in vijf verschillende thema's uitgewerkt: een stuk bos voor kalmte en meditatie, een open tuin met water en gras, een gevarieerd stuk met heuvels, een speeltuin voor kinderen en op het laagste paviljoen een tuin met kassen. Ito's zorg voor zon en licht bepaalt zelfs de hoogte van de bebouwing. Aan de noordkant tekent hij vijf, maar aan de zuidkant ten hoogste drie verdie-pingen, wat zonlicht in de tuin en in alle, oost-west georienteerde, kamers verzekert. Ook het souterrain ontvangt daglicht vanuit de sterk hellende tuin, een tuin waarin het nooit donker wordt: spots beschijnen 's avonds bomen en vijvers, schijnwerpers geven 's nachts een soort blauw maanlicht, terwijl rode lampen functioneren als bakens.
Over de methode
Teksten kunnen net zo veelzeggend zijn als tekeningen of maquettes. Of het nu om het cynisme van Perrault gaat, die de 'poetische arcLitectuur' en de 'charme' van zijn project baseert op het motto 'prettig leven alsof je thuis bent', of de uitsluitend stedebouwkundige en architectonische argumenten van Architecture Studio en Chemetov: deze houdingen zijn in de projecten terug te vinden. Ito begint met een simpele beschrijving van deze 'opzienbarende plaats die emotioneel beladen is'. Wat levert hem dat op? Twijfel: 'Wat heeft architectuur mensen te bieden die in het aanzicht staan van hun eigen j dood? Hoe de bestaande sfeer te handhaven?' Problemen waarop hij oplossingen zoekt volg een haast Cartesiaanse orthodoxie van consta-teren, vragen stellen, punt voor punt antwoorden en verifier en. Taal kan, ook in architectuur, als / middel om systemen onderzoekend te analyseren^ beslissend zijn. Ito's project bestaat uit het met vorm antwoord geven op zorgvuldig geformu-leerde, uit het programma afgeleide probleem-stellingen, vormen die pas in een later stadium worden geassembleerd. De helderheid van de methode komt tot uiting in de schoonheid van het project, waar alles vanuit de functie is bedacht, maar niets aan formele functionaliteit wordt opgeofferd. Bij zo'n rijk programma naar een globale vorm of in de wijk passende stijl zoeken, kan weinig anders dan een onbevredi-gend compromis opleveren. Voor op het minima-lisme gerichte architecten als Perrault, innig vertrouwd met de megalomanieen van groot-kapitaal of politieke macht, blijken programma's - inhoud en betekenis van vorm - bijzaak te zijn, een mentaliteit waar zijn Grande Bibliotheque het manifest van is. Het is hier zichtbaar hoe eerst naar vorm wordt gezocht, deze wordt aan-gekleed, om daarna alsnog functies plaatsen toe te wijzen.
De rol van de architect
Nouvel, die eerder voor de stichting Cognacq-Jay een bejaardentehuis in Rueil-Malmaison bouwde, schrijft dat architectuur in deze situatie 'minuscule positieve emoties' kan oproepen, maar verder onzichtbaar moet blijven. In zijn project vormen de individuele kamers, de met aluminium luiken afsluitbare balkons, bijna een gewoon Parijs' gebouw met studio's. Op individueel comfort gebaseerd, maar niet getuigend van een duidelijke visie op het ziekenhuis, dat ook niet als zodanig herkenbaar is. Zo'n aanwezigheid wordt hier door Nouvel, bij wie discretie zich vaak uit in transparantie, afgewezen. Nouvels ideale ziekenhuis is een warm en licht gebouw.
Geen mooi spel van licht op metaal, maar twee koude glazen muren bij Ito. Wat is zijn visie op de rol van de architect? De maker van de Tower of winds legde uit dat de realiteit van Cognacq-Jay hem tot een nieuwe werkwijze bracht. Dit project is geen vorm van kritiek op de architectuur als kunstvorm, wat voorheen vaak zijn 'offensieve' concepten bepaalde. Nee, bij deze prijsvraag stond de rol van de kunstenaar zelf op het spel, de vraag was 'hoe wij architecten het leven zien, en hoe wij op deze speciale situatie van zieke en stervende mensen antwoord kunnen geven'.*3 Zo komt Ito met een helder en modern gebouw dat geen stap in de richting doet van de Parijse buurtstijl, zich niet onzichtbaar maakt, maar wel a la lettre het programma respecteert. Hier is de architect volgens Ito iemand die, natuurlijk niet de menselijke, maar wel de daarmee samenhangende architectonische problemen hoopt op te kunnen lossen. Een vorm van toegepaste architectuur die, net als toege-paste kunst, schoonheid niet uitsluit maar langs andere wegen bereikt. Dat hij iedere kamer zonlicht gunt en deze zo tekent dat de liggende patient vanaf zijn hoofdkussen zowel de tuin als de deur kan zien, en op een vocaal te bedienen scherm Internet en televisie ontvangt, geeft een beeld van de taak die Ito op zich neemt. Naast die eis tot kwaliteit bezit hij de gave tot het gunnen van vrijheid: men kan in de gebouwen steeds kiezen tussen meerdere zit- en eetkamers die geanimeerd of rustig zijn, op de stad of de tuin uitkijken, lang en smal of breed en open zijn. Ito komt met een nieuw ziekenhuismodel, dat zowel uitkomt voor zijn technische medische functie, als zijn huiselijk karakter en menselijke dimen-sies. Hij combineert daarbij niet voor niets de twee basis vormen van ziekenhuisarchitectuur: het negentiende-eeuwse paviljoensysteem, ver-bonden met comfort en natuur, en het twintigste-eeuwse uit een blok bestaande gebouw dat voor medische moderniteit en efficientie staat.
Architectonisch portret
Nu had Toyo Ito al eens eerder goed naar rouw geluisi-erd en er heel mooi voor gebouwd. White U (1976, Tokio) is een hoefijzervormige villa, getekend voor zijn oudere zuster en haar twee dochters die net hun man en vader hadden verloren. In nauw over leg met de toekomstige bewoonster creeerde Ito rond de thema's licht en aarde een doorlopende ruimte, afgeschermd van de wereld, met een centrale tuin waardoor de familieleden elkaar altijd konden zien. Het is eenvoudig zijn project voor Cognacq-Jay in het verlengde van White U te plaatsen: het z^orgvul-dige observeren, het licht, de tuin, zowel de transparantie als het veilige terugtrekken in paviljoens. Paviljoens die hij niet voor niets bestempelt als 'huizen'. Sinds Gaston Bachelard weten we hoe belangrijk de vorm en het beeld van het huis zijn voor de organisatie van ons geheugen, de mogelijkheid er te dromen, te verwerken.*4
Met de villa White U maakte Ito een 'architec-tonisch portret' van een familie die met rouw leefde. Portretteren veronderstelt observeren, communiceren, interpreteren. Ook de karak-teristieke trekken van het huidige Hopital Cognacq-Jay zijn met scherpe blik geaccentueerd of verzwakt, de essentie is vertaald, naar een oeuvre dat representatief is voor het model, maar ook voor de stijl van de kunstenaar, de eisen van kunst. Een project dat geen kritiek op architectuur wil zijn, maar wel degelijk staat voor het verwerpen van globale formele benaderingen en een manifest is voor precies werken vanuit programma's waarin zowel technische, menselijke als affectieve factoren zijn neergelegd. Het is ook een les, omdat Ito er met bewogenheid in slaagt een passende vorm te creeren voor een uiterst gevoelige inhoud.
© Steven Wassenaar
|
 |