 |
 |
Een aantal recente gebeurtenissen, waarbij de overheid architectuur annuleerde in plaats van stimuleerde, wijzen er op dat er in Frankrijk iets fundamenteels is veranderd in de manier waarop hedendaagse bouwkunst wordt benaderd. Om te begrijpen hoe de Grand Travaux (1981-1995) konden uitmondden in een periode van architectonische sabotage, kan naar de machtsuitoefening in het huidige politieke stelsel, de Vijfde republiek worden gekeken: deze voor de Generaal de Gaulle in 1958 op maat gesneden staatsvorm, beperkt de rol van het parlement maar versterkt de macht van de president. Als staatsvorm laat de Vijfde republiek een boogvormige beweging zien: geboorte onder de Gaulle, opkomst en bloei, onder Georges Pompidou en Valéry Giscard d'Estaing, neergang, onder de als koning heersende Mitterand en het failliet van de constitutie onder Jacques Chirac, een implosie van het politieke stelsel.*1
Deze beweging wordt gevolgd door een architectonische lijn, die uitkomt op de minieme plaats die nu aan vernieuwende realisaties wordt gegeven. Architectuur is hier via staatsopdrachten, reglementen en allerlei bemoeienissen, gekoppeld aan de overheid; de gulzige staat heeft het ontstaan van een bloeiende liberale economie verhinderd zodat bedrijven niet actief in de openbare ruimte optreden en weinig contemporains bouwen; de Franse maatschappij, opgezadeld met een antiek politiek stelsel, kan zich niet aan nieuwe ontwikkelingen aanpassen en is als reactie op het verleden gericht, waarbij historiserende gebouwen het passende decor voor deze houding vormen.
Aan de hervormingseisen die aan het land worden gesteld door de Europese liberalisering en de geglobaliseerde concurrentie, kan niet worden voldaan met het inefficiënte stuk gereedschap dat de Vijfde republiek is. De Franse politicus weet dat en biedt kiezers dus onhoudbare protectionistische beloftes, vage ecologische concepten en fietspaden. In een staatskundig perspectief geplaatst krijgt de crisis van architectuur betekenis: gebonden aan het inefficiënte staatsapparaat kan ze net zo min voldoen aan de hedendaagse eisen van de multiculturele metropool en verwachtingen van burgers. Verder verklaart de invloed van de strikte hiërarchie binnen de Republiek, een afkeer van echte democratie en participatie, ook in de architectuur. Gefascineerd door de macht, hopend op het volgende verpletterende monument, is woningkwaliteit of stedenbouwkundige inrichting haar laatste zorg. Eenvoudig gezegd: symboliserende façadearchitectuur (symptoombestrijding) wordt verkozen boven leefbare ruimtearchitectuur (stedelijke ‘genezing’).
Ook communicatie over architectuur door exposities is in handen van overheden en wordt ofwel - Beaubourg - voor een elite gemaakt, ofwel – het pavillion d’Arsenal – vanuit een propaganda-oogpunt gestuurd door de gemeente*2: er wordt geen moeite gedaan een breed publiek met hedendaagse projecten kennis te laten maken, zodat de Franse huiseigenaar, honderd jaar nadat Le Corbusier dit aankaartte*3, het stuk contemporaine design dat zijn auto is, nog steeds parkeert voor een woning die uit 1850 lijkt te stammen. Hedendaagse architectuur, gemonopoliseerd door de staat, als kunstvorm gereserveerd voor ingewijden, niet gepromoot, bestaat niet voor de meerderheid van de bevolking.
Van voorbeeld naar antimodel
De recente geschiedenis van de machtsverhouding tussen staat en architecten, kent drie sleutelmomenten. Het eerste moment, tussen 1970 en 1977 was de ongeëvenaarde ‘acte fondateur’ toen president Georges Pompidou de bouw van Beaubourg mogelijk maakte. Dit vormt de meetstandaard, met als belangrijkste feit dat Pompidou wist dat de politiek de impuls kan geven, maar dat een onafhankelijke jury een laureaat aan moet wijzen. Pompidou besefte niet alleen dat een politicus niet over de voorstellen moet oordelen, maar ook dat politiek op een ander vlak inwerkt dan architectuur, dat de laatste begint, waar de eerste ophoudt.
Dit veranderde gedurende het tweede moment: het bewind (1981-1995) van Mitterand kende ogenschijnlijk een bloeiperiode, geroemd in landen waar ‘teveel aan inspraak’ monumentale bouw zou verhinderen. Alsof Mitterands gebouwen niet symbool staan voor afluisterpraktijken van de pers, moord op een Greenpeacefotograaf, de weigering in de Balkan op te treden en een algemeen slecht bewind dat het land verpauperde. Hoewel sommige Grands Travaux een succes lijken, het Louvre, het parc de la Villette, is er door de professie een hoge prijs voor betaald: een machtsverschuiving in de verhouding met de opdrachtgever, waarmee de politicus architectuur ondergeschikt maakt aan korte termijndenken en electoraal belang. In tegenstelling tot Beaubourg, werden ontwerpwedstrijden via schemerige strategiën en beïnvloeding beslist en dat leverde de Opera Bastille of het Ministerie bij Bercy op. Deze politieke annexatie van architectuur, werd een voorbeeld voor nationale en lokale politici die zonder kennis van zaken ook vandaag beslissen wie, wat en waar bouwt.
De Grands Travaux gingen ten koste van urgentere vragen en échte uitdagingen: het harmoniseren van de ruimtes rond binnensteden, de woon- en leefkwaliteit daar. Ook ontstond, doordat de staat de belangrijkste opdrachtgever werd, een scheiding tussen de publieke en de privé-sector. Architecten gingen zich exclusief richtten op de overheid, die met de ene hand gebouwen bestelde en met de andere hand via publicaties, exposities en prijzen, dezelfde realisaties verspreidde en deed bewonderen: buiten de veelkoppige staat was geen carrière meer mogelijk. Hetzelfde mechanisme is door de filosoof Yves Michaud beschreven voor hedendaagse kunst*4. De overheid als superverzamelaar verhinderde het ontstaan van een vrije kunstmarkt en zorgde er zo voor dat de door ambtenaren gereguleerde Franse kunst internationaal weinig voorstelt.
Sabotage
De door Mitterand ingezette uitholling van de professie wordt voltooid tijdens het derde moment: de presidentstermijn (sinds 1995) van Jacques Chirac. Het is de periode van de Anti Travaux, de staat zorgt nu voor een kwantitatief en kwalitatief gebrek, een dwarsbomen van ambitieuze architectuur. Een sabotage, waarin de politiek projecten vanwege electorale belangen annuleert, of bewust in een nivellering naar beneden, richting verleden, dwingt.
Het begon in 2002 toen de huidige Franse premier, Dominique de Villepin, bij zijn aantreden als minister van buitenlandse zaken een maquette ontdekte van een al besliste ontwerpwedstrijd en deze annuleerde. Deze opdracht voor de ambassade in Tokio was na een standaardprocedure door een jury toegewezen aan het bureau Du Besset - Lyon. De laureaat beviel de Villepin niet, hij liet een tweede ontwerpwedstrijd houden, nu gewonnen door Francis Soler. Opnieuw greep Dominique de Villepin in, passeerde de jury, wees persoonlijk als winnaar het als derde geëindigde Brochet, Lajus en Pueyo aan. Tijdrovende expertises van twee jurycommissies, maanden werk van eerst vijf, toen vier bureaus, werden ondergeschikt gemaakt aan de grillen van deze dichtbundels publicerende politicus.*5
De tweede etappe, in december 2004, was het teleurstellende resultaat van de ontwerpwedstrijd voor les Halles, een project waarmee aan de metropolitaanse dimensie van Parijs een gezicht kon worden gegeven. De bestaande Halles waren het resultaat van het stedelijke beleid van Jaques Chirac, lang burgemeester van de hoofdstad. Hij orkestreerde in 1977 die mix van een enorm ondergronds station, onder een laag postmoderne gebouwen. Het realiseren van een nieuw project was een electorale belofte van de huidige socialistische burgemeester Bertrand Delanouë, die met Chiracs erfenis wilde breken. De architecte Françoise Fromonot reconstrueert in haar enquête ‘La campagne des Halles’ hoe Delanouë het gehalveerde project van Mangin kon verkiezen boven het voorstel van OMA, door veel parijzenaars als dé oplossing gezien*6. Ze wijst als redenen op Mangins’ solide netwerken in de overheid, het feit dat zijn project opzichtig inspeelt op belangen van omwoners of milieugroepen en op zijn door het Ministerie van Cultuur gefinancierde boek, waarin Mangin pleit voor een stad van het ‘libertaire socialisme’*7. Deze beleden afkeer van de commercie, weerhield Mangin er niet van de groep Unibail, oppermachtige eigenaar van het ondergrondse winkelcentrum, met meer commerciële ruimte en verplichte parkoersen langs de winkels op de wenken te bedienen. Inderdaad, zou de directeur van Unibail, Léon Bressler, hebben gedreigd burgemeester Delanouë ‘de oorlog te verklaren’ als het project van OMA, dat mogelijkheden bood om de winkelgalerijen heen te lopen, zou zijn gekozen*8. Fromonot beschrijft hoe door sommigen de uitslag werd gezien als een nationalistische ‘revanche op de mondialisatie’, doordat de Franse aanklager van het Logo, de theoreticus van de internationale shopping had verslagen*9. Ook deze ontwerpwedstrijd werd beslist door de burgemeester, er werd geen jury gevraagd met een expertise de projecten te verhelderen. In plaats van te breken met de politiek van Jacques Chirac, grijpt Delanouë op dezelfde compromissen terug, zwicht voor dezelfde economische druk en mist net als zijn voorganger architectonische ambitie: links en rechts komen, ingebed in dezelfde staatsmechanismes, op hetzelfde stedelijke beleid uit.
Boulogne vermoordt Billancourt
Het volgende fiasco diende zich aan in mei 2005, toen de annulering van Tadao Ando’s museum voor het île Seguin bekend werd gemaakt. De miljardair François Pinault had hier een 33.000 m2 groot museum gepland, en de gemeente Boulogne-Billancourt zou met een vastgoedontwikkelaar de rest van het eiland, waarop de ruïnes van Renaultfabrieken stonden, vormgeven. Eerder, in 1999, had sterarchitect Jean Nouvel een visionair stuk over het île Seguin gepubliceerd, onder de titel ‘Boulogne vermoordt Billancourt’*10, waarin hij alle argumenten aan de toekomstige slopers van Tadao Ando’s project zou opdienen: de nieuwe gebouwen op het eiland moesten ‘getuigen’ van het ‘arbeidersverleden’ van de staatsfabriek en dus ‘contextueel’ zijn. Vier jaar later konden bewonersverenigingen, met Nouvels stuk in de hand, de gemeente en François Pinault beschuldigden ‘de arbeidersgeschiedenis van Renault te verpatsen’. Gevoelig voor dit argument, plande de burgemeester een ijzeren gordijn rond het eiland. Toen daarna milieugroepen door een rechtbank het stedenbouwkundige raamplan wilden laten verbieden, was Pinault de gemeente, de omwoners en het ijzerwerk zat, en vluchtte met zijn collectie kunst naar het Palazzo Grassi in Venetië, een stad die de verzameling juichend ontving.
Zowel de burgemeester van Boulogne als de minister van Cultuur reageerden laconiek op het afzeggen van wat een tweede Beaubourg had moeten worden, ‘omdat ze als overheid geen invloed hadden op privé-projecten’. De staatslieden leken opgelucht dat het privé-initiatief was mislukt, als bewijs dat alleen de staat voor kunst kan zorgen. Daar waar de overheid in andere landen stimuleert, is ze hier acteur, jaloerse belanghebbende die privé-initiatieven frustreert.
Nu wordt helder hoe dat misverstand heeft kunnen voortduren, over de Franse overheid als begunstiger van de kunsten, een ideaalvisie ontstaan toen elders een wél goed uitgevoerde overheidsrol werd wegbezuinigd of naar de vrije markt geschoven. Het misverstand berust op het feit dat staatsorganen in Frankrijk niets gemeen hebben met overheden in Noordelijke verzorgingsstaten, waar nergens zo’n dominerende, gecentraliseerde staatsvorm wordt gevonden. De Franse staat is een economische macht, die aan 27 % van alle actieven, zes miljoen werknemers, werk verschaft, wat een gigantische overheidsschuld oplevert. Daar waar in een verzorgingsstaat van het Noordelijke model de overheid de openbare ruimte indeelt, woningkwaliteit bewaakt, geeft de ‘service publique’ van de Franse staat, buiten de stadscentra, slechts verbrokkeling en verpaupering, inderdaad, kenmerken van de stedelijke anarchie van de liberaalste economieën. Het enige wat dus, ultieme ironie, wél kan worden vergeleken met het materiële, zichtbare resultaat van de dominante staat in Frankrijk, is… de stedelijke inwerking van het Noord-Amerikaanse liberale model. Zo stelt de econoom Eric le Boucher dat van alle sociaal-economische modellen er twee zijn die in hun rijke marge zo’n hoeveelheid sociale ellende produceren: het Noord-Amerikaanse vrije markt-model en het Franse staatsmodel*11. Overheden in Noordelijke verzorgingstaten stimuleerden in hun traditionele opgave architectonische kwaliteit én probeerden die eerlijk onder de bevolking en over het grondgebied te verdelen, de staat in Frankrijk misbruikt architectuur als propaganda, reserveert architectonische kwaliteit en zoals blijkt uit het Île Seguin, saboteert zelfs mogelijkheden tot privé-correcties, omdat het de ambitie van staatsdienaren is om in de maatschappij mee te spelen, in plaats van langs de zijlijn toe te kijken. Daarmee zijn de staat in Frankrijk en de overheid uit de Noordelijke verzorgingsstaten, onvergelijkbare grootheden, die toevallig dezelfde naam dragen.
Schuldige architectuur
Ook in de laatste akte zou de ontkenning van het belang van architectuur door de politieke macht een rol spelen. Op 6 juli 2005 werd bekend dat Parijs, favoriet verklaard, ondanks gigantische promotie-investeringen, voor de derde achtereenvolgende keer de organisatie van de Olympische Spelen was misgelopen. Dit onverwachte mislukken van de 2012-kandidatuur van Parijs, is te zien als een architectonische wraakneming. De Parijse burgemeester Bertrand Delanoë riep maanden vol zelfvertrouwen dat zijn ecologische project met een laag profiel, een evenement van de menselijke maat zou geven, zonder architectonische overdaad. Parijs was immers Londen niet, dat zich te buiten ging aan allerlei hoge en ambitieuze gebouwen. Ongetwijfeld voor het eerst werd door een burgemeester de afwezigheid van architectuur, haar onzichtbaarheid, als argument voor de kandidatuur van een stad gebracht. Dit is precies de houding waarmee Bertrand Delanouë het centrum van Parijs iedere dag sterker op dat van Aix en Provence doet lijken. Opnieuw bewijst deze no-architecture-strategie, dat de politicus zowel de stad als de wereld ziet in termen van immobilisme en verleden*12.
In een land waar de machtige overheid steeds richting ‘context’ wijst, is nieuwe architectuur verdacht, deze moet zich rechtvaardigen, gaat aan zelfcensuur doen. Veel realisaties lijken zo ook in vorm te worden bepaald door de macht van de staat. Deze rechtvaardigt zijn bestaan, ondanks de verlies-verlies situatie van torenhoge belastingen én 10% werkloosheid, met een propagandamachine die stelt dat de wereld buiten Frankrijk een jungle is en dat alleen de overheid de nationale ‘privileges’ kan handhaven. De invloed van deze ideologie is via een overdreven aandacht voor het ‘verleden’ in de architectuur waar te nemen. Ook het recente ‘Manifest van Louisiana’ van Jean Nouvel is een herhaling van antimoderne propaganda in architectonische termen*13. Wat blijkt uit de tekst van Nouvel en uit het eerder aangehaalde boek van David Mangin, is een onvermogen om de Franse stedelijke werkelijkheid te lezen: de eenvormige architectuur die ze beide beschrijven als resultaat van de mondialisering is niet die van de vrije markt, maar architectuur waar door de Franse colbertistische staatsinvloed de durf is weggefilterd. De recente Parijse wijk rond de Grande Bibliothèque is een voorbeeld van deze houding: het is een vormentaal die zich schuldig voelt, niet overtuigd hedendaags is, als een soort Haussmann in een glad jasje verlegen naar de context refereert om zijn bestaan te 'rechtvaardigen'.
Het is moeilijk voor te stellen hoe de architectuur in Frankrijk zich kan herstellen, zonder zich te bevrijden van de macht van de opdringerige staat en de traditie van de negentiende eeuwse Beaux Arts, in stand gehouden door hinderlijke organismes als de APUR*14. Binnen de professie zal een debat tussen ‘schuldbewuste context’ versus ‘complexloze hedendaagsheid’ moeten worden gehouden. Het vanwege obscure redenen niet kiezen van OMA’s project voor Les Halles, het door een inefficiënte overheid laten zinken van Tadeo Ando’s museum, zijn bij velen in Frankrijk hard aangekomen en hebben dit debat gestart. De discussie over de plaats die architectuur binnen de Franse politieke machtstructuur kan hebben, kan niet los worden gezien van de twee grotere schalen waarin het ligt ingebed: de modernisatie van Parijs en de hervorming van de staat. Als Parijs als belangrijke metropool wil groeien en zich vernieuwen, kan dat alleen door het volle historische centrum met de arme wijken, van elkaar gescheiden door die vestingmuur die Périférique heet, te verenigen in een Groot Parijs , alleen hoogbouw kan het centrum, dat steeds meer van zijn woonfunctie prijsgeeft, weer in beweging zetten en een vernieuwing van de politiek en de staat kan alleen in een democratischere Zesde republiek gebeuren. Mangins project voor Les Halles drukt het tegengestelde uit: dat alles het oude blijft, het groene met André Le Nôtre blijft verbonden en dat de arme immigrantenbevolking uit Groot Parijs niet in het historische centrum naar de oppervlakte komt.
Waarom willen Mangin en Delanoë die koperen deksel uit alle macht op de ondergrondse etnische melting pot in Les Halles houden? Het chique Parijstm, die als één gigantische gated community voor 2 miljoen blanke geprivilegieerden uit haar 19e eeuwse stadsgrenzen barst, is een vermoeid en schizofreen stadje. Want haar autochtone bestuurders zijn stekeblind voor de nieuwe realiteit, voor de enorme moderne multiculturele metropool waartoe ze is uitgegroeid en die de administatieve gemeentegrenzen ridicuul hebben gemaakt. Blind voor het continue stadsweefsel tot ver voorbij de eerste gordel, die Petite Couronne, waarin 4 miljoen merendeels uitgeslotenen in 200 grauwe aan elkaar gegroeide ‘stadjes’ - in werkelijk Parijse wijken – overleven. Deze allochtone paupers, omdat ze ook kiezers zijn, wordt uit alle macht, en tegen elke logica in, het citizenship van Parijs onthouden, daarmee woonkwaliteit, transport, scholing, werk, cultuur, het gevoel volwaardige burgers te zijn, deel uit te maken van die verleidelijke hoofdstad die op enkele honderden meters vrolijke glittert in de nacht. En onbereikbaar is, door spervuur, noodwetten, racistische politiebendes en diepe economische misère. Er bestond een naam voor zo’n situatie, wit, zwart, rijk, arm, etnische scheiding, politiegeweld, thuislanden. We noemden het apartheid. De manier waarop Parijstm uit alle macht haar recente wijken, die al lang geen Banlieus meer zijn, via een wrede verdeel en heers strategie buiten haar administratieve zone houdt, is een, unieke, Europese variante op de Apartheid. Maar net als elders gebeurde, is het aannemelijk dat er vuren voor Parijs’ gesloten poorten op zullen laaien, totdat die apartheid wordt opgeheven, totdat één stad plaats biedt aan arm en rijk, wit en zwart. Een stad die dan contemporaine architectuur nodig zal hebben om herbouwd en verenigd te worden. Inderdaad, als een tweede Berlijn, toen ook daar een muur was gevallen. Dat zal het moment zijn, en niet eerder, dat Parijs weer zal aansluiten bij zijn tijd, bij hedendaagse architectuur. Nooit eerder heeft dat eerste versleten cliché, "liberté, égalité, fraternité", leger geklonken, als een sarcastische belediging geadresseerd aan miljoenen die dagelijks juist van alles apart worden gehouden , voor wie alles juist de fundamentele ongelijkheid binnen dat twee versleten cliché, de Franse Republiek, bevestigt.
© Steven Wassenaar
*1. Nicolas Baverez, La France qui Tombe, Perrin, 2003, of Arnaud Montebourg, Bastien François, La Constitution de la 6e République, Odile Jacob, 2005.
*2. Zo is de tentoonstelling ‘Actualités Parisiennes II’, van 20/10/2005 tot 15/1/2006 in het Pavilion d’Arsenal bedoeld om het dubbele fiasco ‘Halles’ en ‘Olympische spelen’ op te vangen.
*3. Le Corbusier, Vers une architecture, 1923, heruitgave Flammarion, Parijs, 1995.
*4. Yves Michaud, La crise de l’art contemporain, PUF, 1999.
*5. Het proces dat de architect Francis Soler tegen de beslissing van Villepin had aangespannen, werd door de hoogste rechterlijke instantie, het Conseil d’Etat, in het voordeel van Soler beslist.
*6. Françoise Fromonot, La Campagne des halles, les nouveaux malheurs de Paris, La Fabrique Editions, 2005.
*7. David Mangin, La ville Franchisée, formes et structures de la ville contemporaine, Editions de la Villette, Parijs, 2004.
*8. Frédéric Edelmann, ‘Une ambition nationale pour les Halles’, Le Monde, 15-12- 2004. Hij schrijft ‘Unibai, a elle aussi exigé l'adoption du projet Mangin, menaçant dans le cas contraire de faire « la guerre » à la municipalité.’
*9. Françoise Fromonot, idem, p. 106.
*10. Jean Nouvel, ‘Boulogne Assasine Billancourt’, Le Monde, 6 maart 1999, zo schrijft hij : ‘[...] nous serons quelques-uns encore à barrer la route aux bulldozers, à défendre l'image ouvrière, à réclamer l'inscription de l'île Seguin sur les registres de notre patrimoine’.
*11. Eric Le Boucher, ‘Le modèle Français est facteur d'anxiété sociale, comme l'américain ’, Le Monde, 23-10-2005.
*12. Op het Ministerie van Cultuur heet de dienst die zich bezighoudt met hedendaagse architectuur : ‘Directie van architectuur en erfgoed’ en deze staat onder leiding van Michel Clément, een museumconservator.
*13. Het ‘Manifeste Louisiana’ van Jean Nouvel, werd geschreven voor de tentoonstelling die in juli 2005 in het Louisiana Museum in Denemarken werd georganiseerd, en kan op http://www.jeannouvel.fr/english/news/images/602_louisiana/ManifesteJN_EN.pdf worden gelezen.
*14. Overheidsorganismes als de ‘APUR’, het ‘Atelier Parisien d’ Urbanisme’ belemmeren de vernieuwing van architectuur en stedebouw in de Parijse omgeving. |
 |