Shock therapy
University building by Périphériques
MARK, Amsterdam, n° 4, 2006, p.p. 140 ­ 161.
Shock therapy. University building by Périphériques
Vanuit de marge : Périphériques

De Franse groep Périphériques, in 1998 gevormd door Anne-Françoise Jumeau, Emmanuelle Marin en David Trottin, is geen klassiek bureau maar een op een Internetsite gepresenteerd wisselend samenwerkingsverband, of zoals ze zelf schrijven een 'label', van architecten die daarnaast hun eigen bureaus hebben.
Behalve architectuur maakt de groep exposities, schrijven boeken en geven het tijdschrift IN-EX uit. Périphériques gaat - een unicum bij Franse bureaus - bij ontwerpwedstrijden vaak samenwerkingsverbanden aan met buitenlandse architecten, zoals met MVRDV voor de het Musée des Arts Premiers in Parijs.
De naam 'Périphériques' kan verwijzen naar de buitenwijken rond de historische stadcentra van Franse steden, soms geweldadige plaatsen maar ook met een rauwe energie, waarin de jonge Franse architecten noodgedwongen hun carrière starten. De groep wil architectuur midden in de problematiek van de hedendaagse creatie passen, waarin de 'digitale culturen' een grote rol spelen, het begrip 'auteur', net als 'context' een nieuwe betekenis krijgt. 'Mixen, snijden, plakken' zijn volgens de groep pertinente gereedschappen om de hedendaagse architectonische creatie mogelijk te maken.
Daarnaast slaat de naam Périphériques op de positie van de drie architecten binnen de Franse architectuur, want ze zijn werkzaam in de periferie van de door staatsopdrachten bepaalde conservatieve Franse 'Beaux arts'-traditie.
Zo stellen ze dat ze de architectuur boven het normale gebruik van het vak willen uittillen. Net als de filmmakers van de 'nouvelle vague', zijn ze zowel makers als bemiddelaars: 'We maken aanspraak op de benaming van architectuurproducenten'.
Daar waar de gemiddelde Franse architect vanuit de museumstad Parijs de Vinex-achtige buitenwijken als nefaste Anglo-saksische invloed zuur afwijst, zet David Trottin juist prominent een tekst op zijn site waarin hij deze architectonische realiteit als een onomstotelijk, interessant stedelijk feit omhelst.
Geen incident, het wijst op een in Frankrijk zeldzame houding: een acceptatie van de werkelijkheid, waarin steevast de elementen worden aangetroffen om nieuwe architectuur voor te stellen.
Nu het virtuele bureau Périphériques bekend geworden is en in het centrum van de belangstelling staat, komen de prestigieuze opdrachten in stadscentra vrij. Twee voorbeelden om te kijken hoe de groep omgaat met een aantal kenmerken van de Franse architectonisch realiteit.

Architectonische trapezestunt
Gebouw Campus Jussieu


Périphériques is een netwerk, geen bureau. De campus Jussieu is een netwerk, geen gebouw : dat juist deze groep architecten de prijsvraag voor het nieuwe lesgebouw op de beruchte campus uit 1968 heeft gewonnen lijkt daarmee geen toeval.
De campus, een werk van de architect Albert, werd ooit gebouwd voor 20.000 studenten, maar nu lopen er 45.000 studenten rond. Het nieuwe gebouw van Périphériques met leslokalen en een bibliotheek, dat vlak bij de Seine staat, vormt een deel van de noodzakelijke uitbreiding van de verloederde, kille campus.
De grootste uitdaging van het project was: hoe pas je een nieuw gebouw in een bestaand modernistisch raster in, zonder de nadelen daarvan (eindeloosheid, onmogelijkheid het te 'bewonen', verdwalende studenten) te herhalen.
De architecten deden het door de organisatie van de campus van Albert alleen schetsmatig over te nemen. De met losse pols getrokken gevellijnen van hun gebouw bollen uit buiten het rationeel modernistische raster, de vloer daalt neer en in het midden laten ze geen tuintjes maar twee grote overdekte atriums open, waarin verschillende loopbruggen elkaar kruisen.
Deze fel gekeurde atriums vormen het vitale hart van het gebouw, waarin studenten elkaar ontmoeten en waarin het all-over kleurgebruik (fel geschilderde wanden, vloeren, plafonds) een ludieke pop-sfeer schept. Périphériques geeft aan dat de bestaande architectuur gelimiteerd is, ze buigen hun gebouw uit, vinden een nieuwe schaal uit, brengen reliëf aan.
Daarnaast valt het net opgeleverde gebouw op door een extreem kleurgebruik en door een met metalen roosters vol cirkels beklede façade. Deze aluminium roosters werken als filters die zowel het zonlicht als het uitzicht op de twee treurige kantoorgebouwen van de architect Cassan verzachten. Ook lost het gebouw het hoogteverschil op met de bestaande vier meter hoge sokkel, door deze vloeiend af te laten lopen en rood te verven: deze rode opening is zo een gigantische muil geworden die de binnenlopende studenten opslokt. Daarmee lijkt het gebouw ook een eerbetoon aan het winnende maar nooit uitgevoerde project voor de bibliotheek van Jussieu van Rem Koolhaas uit 1992, dat ook beruste op gebogen bouwlagen.
Het atriums zijn afgedicht met doorzichtige opgeblazen Texlon kussens, terwijl net daaronder een metalen vangnet is aangebracht, waarover verend boven een vide van veertig meter gelopen kan worden. Het in een universitair gebouw aanbrengen van dit net, rechtstreeks afkomstig uit de circuswereld, waarover de studenten regelmatig onderhoudspersoneel zullen zien balanceren is naast een knipoog ook een bewuste provocatie. Inderdaad is het gebouw te zien als een gedurfde architectonische circusact, die balanceert op de grens van wat nog net wel / net niet meer mogelijk is. Zo onderscheiden niet alleen de gangen maar ook alle leslokalen zich van elkaar door extreem felle kleuren als gifgroen, bigroze, helgeel en ondragelijk blauw: een verblijf van enkele minuten in zo'n lokaal doet al duizelen.
Het is niet voor te stellen dat door de kleuren doorgedraaide studenten en docenten - die in Frankrijk om veel minder in opstand komen - de kwast niet zelf binnen enkele weken in de hand genomen zullen hebben om deze meedogenloze kleureninvloed met een sausje neutraal wit te beperken, maar juist zo'n ingreep van gebruikers zou Périphériques niet storen.
Immers ze geven zelf toe dat ze een gebouw zochten dat 'rauw, sterk en compact' is, een 'ruimtelijke en sensoriële schok' moest geven, ze wilden 'energie en emotie opwekken' en door de kleuren en de atriums 'het circuleren vereenvoudigen'.
Deze architecten die proberen 'artificieel processen uit te vinden die het mogelijk maken vreemde dingen te bouwen', hebben hele andere zorgen dan gebruikscomfort. Net als de trapezeartiest, willen ze hun publiek doen duizelen als die met open mond, en het hoofd ver in de nek, hun gebouwen betreedt. Een in Frankrijk noodzakelijk architectonische schoktherapie waarover ook een architect als Rudi Ricciotti het heeft. Het is niet ondenkbaar dat het feit dat het serieuze Parijse universiteitsbestuur deze keiharde kleurensymfonie ook voor de leslokalen zonder meer accepteerde, bij de architecten hilarische momenten heeft opgeleverd. Immers ook clownacts zijn onmisbaar voor een succesvol circus, en in de saaie en grauwe Franse architectuur is dit soort clowneske architectuur van vitaal belang.


Do with the real
Go house

Ook het 310 m2 grote GO HOUSE dat Périphériques in Thionville aan de Luxemburgse grens bouwde, gebruikt de bestaande stedelijke realiteit in een ironisch-critisch proces van deconstructie-reconstructie. Deze wijk bestaat uit grote huizen die als losse massa's in het midden van de afzonderlijke en ruime percelen staan. Net als op de campus van Jussieu wordt het bestaande niet afgewezen, maar vormt juist het beginpunt van het designproces. Daarbij wordt niet gezocht naar een osmose of een consensus: volgens Périphériques moet iedere bewoner zich met zijn huis kunnen uitdrukken: daarmee kan de stedelijke ruimte niet langer continu zijn, deze moet juist discontinu worden. De bestaande gebouwen naast het GO HOUSE werden als het ware uit elkaar getrokken en vervolgens werden de losse bouwlagen, gevels, terrassen en dak weer in en op elkaar geschoven. Het levert een architectonische vorm op die alleen in de wijk past doordat de globale massa overeenkomt met de bestaande, maar tegelijk is het een vorm die radicaal vernieuwend is. Zo ligt de woonkamer van het uit metaal, glas en beton bestaande GO HOUSE op de hoogste etage, voor meer licht en een beter uitzicht. In dit volume is in een hoek een terras uitgespaard - als een natuurlijke verlenging van de woonkamer. Op de tweede etage ligt de masterbedroom, op de begane grond een aparte studio voor gasten. De neutrale ruimtes binnen baden in het - deels wel deels niet - gefilterde licht, en hebben witte harsvloeren en wanden. Gekleurde rode accenten zijn te vinden in het trappenhuis en in de badkamer.

David Trottin stelt dat iedere architect ook iets van zichzelf blootgeeft in een gebouw, en zorgde voor een ingewikkeld parcours van trappen door het gebouw, wat hem deed denken aan de mysterieuze huizen uit zijn jeugd. Om het eenvoudige volume in beweging te zetten, zijn de bouwlagen verschoven, de muren schuingezet, de gevels van het gebouw bestaan uit een dubbele laag van het translucide glas Profilit. Een metalen loopbrug vormt de verbinding naar het huis, dat door het scheepsachtige karakter het huis op nog grotere afstand van de straat plaatst.


© Steven Wassenaar


http://www.peripheriques-architectes.com

Site by ITP