 |
 |
Het Franse programma van het Brabants Orkest in klein bestek, met componisten als Vincent d'Indy (1851 - 1931), Albert Roussel (1869- 1937), André Jolivet (1905-1974) en Jean Francaix (1912 - 1997), beslaat meer dan een eeuw moderne muzikale creatie. In Frankrijk heeft de muziek, in al haar uitingen, sinds het begin van de jaren negentig een tehuis gevonden in de Cité de la Musique, die in het nieuwe Parc de la Villette ligt.
Als je vanaf het metrostation Stalingrad - dat eigenwijs die naam blijft houden - langs het brede stuk water van het Bassin de la Villette, en dan verder langs het Canal d’Ourc loopt, kom je niet langs luxe winkels in nette buurten waar elegante Parisiennes minuscule hondjes uitlaten. De look van dit deel van Parijs, dat getuigt van zijn arbeidsverleden, is dat van het T-shirt en de joggingbroek, de fel gekleurde draperieën van de Afrikaanse vrouwen, de lichtblauwe gewaden van de Arabische mannen. Dit arrondissement, het negentiende, is een kosmopolitische wijk waar je gewoon jezelf kunt zijn. De bijna Nederlandse charme van de sluizen en kanalen houdt maar weinig mensen op: de wandelaars, fietsers en rolschaatsers zijn op weg naar het grootste park van Parijs, le Parc de la Villette. Al vanaf de kades hoor je het tromgeroffel van diverse percussiebands die een vaste plek in de tuin hebben gevonden. Daar is vandaag ook een menigte samengestroomd voor de felrood geverfde Kiosque à Musique waar ‘s zomers gratis concerten worden gegeven. Deze kiosk is maar één van de vele podia in la Villette, maar de programmatie, met groepen uit Bulgarije, Zuid-Afrika of Macedonië, zet de toon: dit is een plaats waar verschillende culturen middels de universele taal van muziek communiceren. Liggend in het gras luister ik naar de zigeunermuziek, kijk om me heen naar het publiek - ouders met kinderen, groepen jongeren en ook veel ouderen - en weet dat velen van hen, net als ikzelf, ooit uit een ander land in deze stad zijn aangekomen. De status van ‘buitenlander’ is hier zo gewoon dat deze elke betekenis - en daarmee de mythe van een eigen problematiek - heeft verloren. Dit drukke park, dat de verbinding vormt tussen de arme noordelijke wijken van Parijs en de eindeloze bijlmermeerachtige buitenwijken die ‘aan de andere kant’ van de périphérique liggen is een vredige openbare ruimte, wat veel met de revolutionaire inrichting van het park te maken heeft, en met het feit dat de cultuur hier zo’n krachtige inhoud geeft aan de natuur.
Van ‘stad van bloed’ naar stedelijk park
Toch is deze plaats beladen met een rauw verleden. In gerestaureerde gebouwen als de uit staal en glas opgetrokken Grande Hall, speelden zich van 1867 tot 1974 andere scènes dan concerten af. La Villette was een ‘cité du sang’, een stad van bloed, waar een leger van slagers dagelijks de duizenden schapen en runderen uitbeende die Parijs moesten voeden. Eén van de twee ‘cités’ van het park, de ‘cité de sciences’, gewijd aan de wetenschappen, bevindt zich in een gigantische oude veilinghal. Nadat de abbatoirs dichtgingen werd in 1979 besloten op de industriële ruïne een park aan te leggen. Daarvoor moesten er ook nieuwe gebouwen bijkomen: zoals de concerthal de Zénith en de bolvormige bioscoopzaal de Géode en, als laatste, het muziekcentrum de Cité de la Musique. Deze bebouwing, in het door de architect Bernard Tschumi getekende park, betekent een breuk met het achterhaalde ideaal van het park als een stuk ongerepte, ‘gezonde’ natuur binnen de ‘ongezonde’ stad. Deze tuin sluit de stad niet buiten, maar geeft de stedeling wat alleen een stad biedt: culturele diversiteit.
Mensen kunnen er zowel wandelen, musiceren, picknicken, voetballen, als naar de film, tentoonstellingen en concerten gaan. Het park van Tschumi is ook als een architectonische variatie op de structuur van muziek te zien. De vijfentwintig rode gebouwtjes, de ‘folies’ staan op regelmatige afstand van elkaar, slaan de maat, ordenen de ruimte. De twee scherpe lijnen van de door het park snijdende overdekte metalen galerijen, verbinden de losse gebouwen, zoals de tijdslijn de aparte delen van een partituur verbindt. In dit heldere kader van maat en tijd, kan de melodie naar voren komen, in de vorm van een slingerende blauw pad, de ‘promenade des jardins’, dat tien verschillende tuinen als even zovele muzikale thema’s aan de wandelaar openbaart. Deze tuinen vormen een paradijs voor kinderen en jong gebleven volwassenen. Je kunt er spelen tussen hoge bamboeplanten in de Jardin des Bambous, op de rug klimmen van een draak in de Jardin du Dragon, tussen watergordijnen rennen in de Jardin des Brouillards. In de landschappelijke symfonie van Bernard Tschumi, die ‘s nachts ook open blijft, is het nooit stil: hij componeerde het decor voor een steeds weer op te rakelen, spontaan volksfeest.
Architectonische improvisatie
Dat naast muzikanten, ook architecten kunnen improviseren op elkaars thema’s, bewees Christian de Portzamparc met het bouwen van de Cité de la Musique. Deze instelling opende in meerdere etappes tussen 199o en 1997, en vormt nu aan weerszijden van een plein een poort naar het park. Als antwoord op de loopgalerij van Tschumi legde De Portzamparc net zo’n golvend dak op het nieuwe gebouw van het Conservatoire National Supérieur de Musique et de Danse, waarin zich meerdere concertzalen en woningen voor de studenten bevinden. In zijn nieuwe behuizing verzorgt het tweehonderd jaar geleden opgerichte Conservatoire onderwijs aan 1300 studenten. Het conservatorium is nauw verbonden met het openbare deel van de Cité de la Musique, aan de overkant van het plein. Deze staatsinstelling organiseert concerten, stimuleert de creatie van hedendaagse muziek, verzorgt muziekeducatie en herbergt het muziekmuseum. Dit toegankelijke gebouw, gedeeltelijk in de tinten geel, groen en blauw geverfd, kom je binnen langs een ‘overdekte straat’, die langs een driehoek, een kegel en een doorgesneden bol voert, waarin de verschillende activiteiten zijn geplaatst. Links ligt het muziekmuseum, rechts vouwt zich als een spiraal een met glas bedekte galerij om het bollende dak van de grote concertzaal. Voor De Portzamparc heeft architectuur, net als muziek, zichtbaar als taak mensen plezier te geven. De Cité heeft twee concertzalen, één met 250 plaatsen, terwijl de grote zaal aan duizend toehoorders ruimte biedt. Deze geheel moduleerbare zaal met prachtige verlichte nissen, is in overleg met de componist en dirigent Pierre Boulez tot stand gekomen, en werd een compromis tussen de rechthoek en de ovaal, wat tot een mooie akoestiek leidde. Het residerende orkest van de Cité de la Musique is het door Pierre Boulez in 1975 opgerichte Ensemble Intercontemporain dat nu onder leiding van dirigent Jonathan Not staat. Het ensemble geeft veel nieuwe opdrachten aan jonge componisten en treedt eens per week op. Daarnaast biedt de Cité het Parijse publiek concerten in alle muziekstijlen: klassiek, modern, jazz en ‘wereldmuziek’.
Multicultureel onderwijs
Sinds twee jaar verzorgt men hier muziekonderwijs aan schoolkinderen van acht tot twaalf jaar, die instrumenten komen maken, samen leren musiceren, en deze muziek ook in studio’s kunnen opnemen. In een groot lokaal staan instrumenten uit de hele wereld op tafels langs de muren. Op de multiculturele samenleving - schoolkinderen uit alle landen - antwoordt de Cité met multiculturele muziek, maakt duidelijk dat alle instrumenten lokale variaties zijn op universele basisvormen. Deze cursussen, waarvoor schoolkinderen één keer per week naar la Villette komen, duren gemiddeld drie maanden. In een aparte ruimte worden gamelan-workshops gehouden, en er is een lokaal waar kinderen op Afrikaanse instrumenten kunnen leren spelen. De Cité heeft een eigen uitgeverij die boeken op het gebied van muziek uitbrengt, en in de hal geeft een uitgebreid informatiecentrum een overzicht van alle scholen en beroepen op het gebied van muziek en dans. Openbare workshops die door bekende musici worden gegeven moeten de barrières tussen het publiek en uitvoerende musici, tussen de student en de ‘meester’ verminderen.
Museum als ontdekkingstocht
In het grote muziekmuseum kun je een tocht langs vier eeuwen muziekgeschiedenis maken. Met draadloze koptelefoons is de klank van de tentoongestelde instrumenten al lopend te beluisteren. Deze verzameling, waarin de Stradivari’s en ander topstukken niet ontbreken, getuigt van de schoonheid en het vormenrijkdom van muziekinstrumenten, die hier tot echte kunstwerken zijn verheven. Naast de merkwaardigste, al lang vergeten instrumenten, zijn er ook duimschroeven en en andere martelwerktuigjes te zien waarmee pianisten vroeger hun vingers versoepelden, en soms hun carrière ruïneerden. Dit seizoen zullen twee tentoonstellingen de Barok (oktober - januari) en de Romantiek (april - juni) toelichten. Terwijl in het museum schilderijen en muziekinstrumenten uit deze periodes te zien en te horen zijn, worden de concerten in de grote zaal op de tentoonstellingen afgestemd. Bij het muziekmuseum hoort ook een laboratorium waar de 4500 instrumenten door tien vaste restaurateurs worden doorgelicht, en waar onderzoek wordt gedaan naar de oorspronkelijke klank van de oude instrumenten.
Geloven in muziek
Naast het vaste jazzfestival, en het in de openlucht gehouden filmfestival in de zomer, organiseert men hier de ‘Rencontres des Cultures Urbaines’ (dit jaar van 24 oktober tot 11 november) waar de jonge muziek- en dansvormen die in de ‘buitenwijken’ ontstaan, een podium hebben gekregen. Het is al lang bekend hoe groot de culturele vitaliteit is in die andere soort ‘cités’, zoals de Franse naoorlogse flatwijken worden aangeduid. La Villette heeft de dynamiek van deze stedelijke cultuur begrepen, en brengt moeiteloos rapmuziek en klassieke muziek, hip-hopdans en ballet samen in één programma.
Voor de Franse componist André Jolivet (1905-1974) was muziek ‘le moyen d’exprimer une vision du monde qui est une foi’: muziek getuigt, als een soort geloof, van een blik op de wereld. Andere ideeën van Jolivet, zoals het vermengen van Europese en niet-Europese muzikale vormen leven voort in de ‘Cité de la Musique’, maar hier is met name zijn geloof in de sociale rol en de betekenis van de muziek, alle muziek, voor alle mensen, dat wil zeggen voor de ‘stad’, gerealiseerd. Als deze ‘cité’ van muziek, die niet voor niets die naam draagt, op een utopie lijkt, dan is dat omdat men eerst heeft durven dromen, voordat naar pragmatische oplossingen werd gezocht. Misschien omdat men in Frankrijk beter dan elders beseft dat er zonder idealen alleen betekenisloze consumptie overblijft, dat de fantastische creatieve mogelijkheden van de multiculturele samenleving dan oplossen in de trieste getto's van wederzijdse onverschilligheid. Alleen met een vast idee voor ogen kon uit de ‘stad van bloed’ deze vrolijke stad voor muziek rijzen. Wat eens te meer bewijst dat kunst bij machte is de diepste stedelijke wonden te helen, harde zones om kan vormen tot vredige plaatsen voor wederzijdse ontmoeting en uitwisseling.
© Steven Wassenaar
|
 |