 |
 |
Groningen organiseert van 26 augustus tot 23 september het architectuurfestival ‘Blue Moon’, dat de traditie van evenementen als ‘A Star is Born’ (1996) voortzet. Doel van de manifestatie: een terrein met industriële ruďnes ‘verbinden’ met de binnenstad, waar tevens innoverend gebouwd mocht worden. Toyo Ito leverde een masterplan dat zijn idee van ‘blurring architecture’ illustreert, en het begrip ‘maan’ als abstract kader neemt voor multidisciplinaire activiteiten in zowel permanente als efemere architectuur. Het festival bevestigt Ito’s verbeeldingskracht, maar ook de spanning tussen generaliserende theorieën en daaraan tegengesteld lokaal beleid.
In het zuidoosten van de stad Groningen liggen, begrenst door snelwegen, rails en kanalen, de ruďnes van een elektriciteitscentrale, waarvan de pijpen, in een stad met weinig hoogbouw, lang markante bakens waren. Dit braakliggend terrein ligt als een litteken in het stedelijk weefsel, vormt een hiaat in de ruimtelijke beleving. Voordat het kantorencomplex ‘Europapark’ van Wiel Arets hier zal oprijzen, vroeg men aan Ito deze toekomstige ‘toplocatie voor de zakelijke dienstverlening van Noord-Nederland’ symbolisch met het stadscentrum te verbinden, waar hij, naast Space Group, Foreign Office Architects, Xaveer de Geyter en Tony Fretton ook innoverend kon bouwen.
Maan als metafoor
Toyo Ito nam het woord ‘maan’ als poëtische metafoor voor zowel het festival als de te maken urbaine connecties. Zo wees hij op het industrieterrein vijf, als op een maanreis te ontdekken, ‘kraters’ aan, en liet deze met efemere architectuur te animeren plekken corresponderen met hiaten in de binnenstad: kleine openingen in achterafstraatjes waar met discrete gebaren blijvend gebouwd kon worden.
Stadscentrum en kantorenpark lijken wel gescheiden, stelt Ito, maar worden door netwerkverbindingen in elkaar geschoven, wat hij in de documentatie illustreert door over beide locaties een imaginair maanlandschap te projecteren. Ook benadrukt Toto Ito de laagvormige historie van het industrieterrein, waar elk niveau om andere architecturale interventies vraagt, die het midden houden tussen de installatie (Space group) en landart (Fretton, de Geyter). Door in ‘kraters’ activiteiten als ‘performance, sport of markt’ te plaatsen creëert Ito met losse hand een coherent kader voor het soort sprookjesachtige ensceneringen die al eerder sommige van zijn projecten begeleidden*1 : de concert- en filmhal in de oude centrale luistert hij op met fluorescerende, lichtgevende stoelen.
Vervagende stad
Serieuzere vragen worden opgeroepen met Ito’s toegepaste thema ‘blurring city’: het onscherp worden van stadsgrenzen, de rol van de virtuele ruimte en communicatie-netwerken die zich op het bestaande stedelijke weefsel enten en de pertinentie van eenduidige ruimtelijke waarnemingen aantasten. Hoewel Groningen en Assen tot een ‘stedelijk netwerk’ zijn benoemd, definieert Groningen zich nog als een ‘gave’ stad, waar de scheiding tussen bebouwing en open land net zo scherp is als het onderscheid tussen centrum en periferie. Ook Bart Lootsma benadrukte deze traditionele ordening, die niets van een tapijtmetropool heeft.*2 Op Nederlandse schaal is het vermijden van autonome stedelijke wildgroei de hoeksteen van deel 1 van de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening, die oproept het ‘verschil tussen stand en land te behouden en te versterken’. Netwerken van Internet en GSM-etjes zullen dit niet veranderen: de planmatige, obsessionele aanpak van ruimtelijke inrichting in Nederland heeft traditioneel alles wat op een dynamische uitdrukking van ‘blurring’ lijkt, uitgebannen. Maar ook het doel van ‘Blue moon’ valt onder die traditie van het consensuele bijpoetsen van de openbare ruimte: het beoogt snel een plaats toe te kennen aan een leeg gebied binnen de overzichtelijk te houden stad. Het doel van het festival, ‘integratie’, en zijn thema, ‘vervaging’, sluiten elkaar uit, het zijn lokaal bepaalde (Groningen, Tokyo) en tegengestelde expressies van stedelijke groeivormen. Ook Arets’ plan voor het kantorenpark draagt orde uit: rechte alleeën en een op het Toscaanse Lucca geďnspireerd stadion, getuigend van die wat vlakke harmonie die Groningen kenmerkt en waarin het italianiserende steeds een toetsje exotisme brengt. Niets drukt de vermenging van de virtuele en materiële stad uit, het einde van stedebouwkundige planmatigheid, het zoeken in de hoogte wat tussen het vlakke groene niet van de grond kan komen. Die duidelijke, niet te omzeilen, spanning tussen het thema van Toyo Ito en de Nederlandse praktijk had binnen het festival verder uitgediept kunnen worden.
Huis als theater
In het ‘blurring house’ zijn het de grenzen tussen de privatieve en openbare ruimte die onscherp worden, tussen werken en wonen, straat en gebouw. Ito’s woning is niet een huis clos waar familiale claustrofobiën de bewoners op zondagavonden naar de openbare ruimten van werk en school doen snakken, maar wordt een naar de straat geopend theater waarin personages hun wederzijdse onafhankelijkheid ontlenen aan virtuele netwerken, waarmee ze, als in de ‘Elementaire Deeltjes’ van Houellebecq, de scherven van een gefragmenteerd bestaan bij elkaar houden. De in de binnenstad te bouwen huizen dienden deze ‘vervaging’ te illustreren. Het project van Farshid Moussaivi en Alejandro Zaera-Polo van FOA had gevels die uit open te ritsen tentdoek zouden bestaan, maar werd een compromis van staal en houten panelen, waarin de ‘short-term’ appartementen nog naar het nomadisme verwijzen.
Toyo Ito’s eerste, helaas tegengehouden, project, een ragfijn aluminium pandje*3, dat mooi met de rode muren van de Burchtstaat zou contrasteren, had de uitdrukking van zijn majeure kwaliteiten kunnen zijn: technische innovatie, prachtige materiaalkeuze en zorg voor stedelijke of landschappelijke integratie, zonder ooit terug te vallen op de verderop waar te nemen postmoderne pastiches van een Natalini.
Ito’s definitieve project in de Uurwerkersgang zal door de geringe steegbreede nauwelijks waar te nemen zijn. Het wordt een bescheiden uitbouw van een pand uit 1907, een gevel van glas met daarachter een lichtdoorlatend aluminium raster. In de high-tech aanbouw de werkruimten, door verspringende vloeren gescheiden van de woningen in het bestaande gedeelte. Een centrale zuil met trappen en kitchenettes verbindt de verticale lagen en geeft toegang aan de daktuin. Hoewel de beperkte omvang van het project maar ten dele het ‘blurring house’ principe uitdrukt, bewijst het wel Ito’s zorg voor de karakteristieken van locaties. Hij is door Koolhaas terecht een architect genoemd die ‘met delicate interventies’ op programma’s weet te antwoorden en ‘zich moeiteloos onzichtbaar maakt’*4.
Ook de overige projecten staan in het teken van bescheidenheid, transparantie en het mengen van publieke en privatieve functies: de terugspringende gevel van Tony Fretton’s pand respecteert het bestaande stadsgezicht ; Xaveer de Geyter bouwt rond een trappenhuis een transparante woon- en werkruimte die ‘s nachts oplicht ; Space Group (Gro Bonesmo en Gary Bates) bouwde een woning met daarboven een crčche waarvan de gevels van doek en glas openbare functies accentueren.
Ambigue publiek domein
Maar wat is de betekenis van het ‘blurring house’, in hoeverre is hij expressie van onze tijd? De schrijver Jean Giono maakte de ambiguďteit van het gebouw waarin hij rond 1900 opgroeide in Manosque tot onderwerp van een roman: op de begane grond was de wasserij van zijn moeder, op de etage daarboven de woning, op de derde etage het schoenmakersatelier van de vader. ‘Ons huis was geheel dubbel, ze had twee stemmen, twee gezichten’*5 schreef Giono over een pand dat in zoveel steden gestaan zal hebben. Is het contemporaine ‘blurring house’ misschien ook een ‘revival’, behoort het tot die vele (postmoderne) relicten waarmee we pogen iets van het verleden terug te scheppen, toen de straat en de huizen nog scčne en theater waren van zich tentoonstellende levens?
Maar de ondefinieerbaarheid van ruimten in het ‘blurring house’ stelt vooral de aard en de functie van het publieke domein zelf ter discussie. Als de waarde van de economische sfeer wordt overschat, schreef Hannah Arendt, gaat dat ten koste van publiek functioneren, dat door gedrag uit de privésfeer wordt verdrongen (slenteren door de shopping mall als substituut voor sociale interactie). Voor Arendt zijn ruimtes al transitoir, noem het virtueel: de kwaliteit van de actie definieert de ruimte: het publieke domein is de plaats voor politieke activiteit, de werker en de consument blijven door hun efemere activiteiten tot de huiselijke sfeer beperkt.*6 Arendt voorspelde dat met de afbraak van het publieke domein, de grens tussen wat als publiek en privé wordt ervaren zou vervagen: precies wat het contemporaine ‘blurring house’ uitdrukt, binnen een cultuur die publieke actie overlaat aan ‘professionele’ politici, waarin de burger een werker-consument is geworden, waarin het commerciële Internet geen alternatief publiek domein meer vormt. Vermenging van privatieve en publieke ruimte stelt daarmee de vraag welke actie in welke architecturale openbare ruimte echt ‘publiek’ te noemen is.
Verheldering
Dit festival maakt helder dat materialisatie van de ‘blurring city’ in contradictie is met de Nederlandse ruimtelijke ordening. Door financiële steun van de gemeente konden grondeigenaars en woningbouwverenigingen gevarieerde ‘pilot-projecten’ in de binnenstad bouwen. Toch gebeurde dit niet binnen een coherente stedebouwkundige visie, waarin immers het Europapark net zo’n architecturaal laboratorium zou zijn geworden als EuroLille in Rijssel. Is ‘Blue Moon’ echt die ‘geďnspireerde oprechte discussie over architectuur binnen een stimuleringsbeleid’, waar Nancy Stieber al in 1994 om vroeg, of betreft het ook dat ‘scheppen van een progressief imago’*7 waar dezelfde auteur al voor waarschuwt? Na het museum, is ook de stad, met de architect als creatieve reclamemaker, een met spectaculaire communicatieacties te promoten product geworden. Met alles wat daarbij zowel glanst en aantrekt, als onuitgesproken en oppervlakkig blijft.
© Steven Wassenaar
*1. Zie voor Ito’s verlichting van een ziekenhuistuin: Archis 6, 2000, p. 62.
*2. Bart Lootsma, ‘Groningen met sterren bezaaid’, in cat.: A star is born, Thoth, Bussum, 1996, p. 6.
*3. Gepubliceerd in ‘The japan Architect’, 41, spring 2001, pp. 86 e.v.
*4. Introductie Koolhaas, Centre d’architecture Bordeaux, 6 mei 1993, geciteerd in: JA Library, 2, summer 1993.
*5. Jean Giono, Jean le Bleu,1932, p. 32.
*6. Hannah Arendt, The human condition, 1958.
*7. Nancy Stieber, De representatie van de stad Groningen, in: Stad, de stad en haar identiteit, Molior, 1994, p 78. |
 |