 |
 |
In ‘Architecture du réel’ presenteert Eric Lapierre recente realisaties en projecten (de oudste dateren uit 1998) van een groep Franse architecten, die de opvolgers zijn van de succesvolle generatie van Jean Nouvel en Christian de Porzamparc. Terwijl hun leermeesters naam en faam konden verwerven met prestigieuze staatsopdrachten op toplocaties, moet deze groep veertigers het doen met lage budgetten en het bouwen in de rommelige buitenwijken van provinciesteden. Dit heeft natuurlijk niet geleid tot een stijl, maar wel tot overeenkomsten in werkwijze, benadering van de stad en materiaalkeuzes, die het rechtvaardigen deze twaalf bureau’s onder één, losse, noemer samen te brengen. Architecture ‘du réel’, stelt Lapierre, ziet de aangetroffen architectonische, stedelijke, sociale en economische werkelijkheid als zijn voornaamste inspiratiebron en gebruikt het als basismateriaal. De vraag die dit boek daarmee oproept, is of zo’n houding ook architectuur oplevert die behalve op bestaande vormen te leunen, of iets van de context duidelijk te maken, ook daarbuiten kan bestaan. Met andere woorden: is deze architectuur, evenals die van Nouvel en De Porzamparc, een Frans exportproduct?
Gewaarschuwd door de polemiek die op Bart Lootsma’s boek Superdutch volgde verdedigt Lapierre in het voorwoord zijn ‘nationale’ selectie met het argument dat de Franse architectuur sinds de tweede helft van de jaren negentig, in een op economisch en sociaal vlak sterk veranderd land, met een eigen problematiek kampt die heeft geleid tot specifieke werkwijzen en gedeelde preoccupaties. Lapierre’s argumenten zijn pertinent en zijn boek heeft de merite architectuur aan een situatie te koppelen, wat een beter begrip oplevert voor de beweegredenen van de architecten. Deze contextuele benadering van architectuur, bepaalde ook de opvallende fotografie die veel bijdraagt aan het boek. De auteur stuurde, om de gebruikelijke geësthetiseerde plaatjes te voorkomen, drie niet in architectuur gespecialiseerde fotografen naar de gebouwen, waarvan ze steeds één aspect (context, gebouw, gebruik) mochten behandelen.
Na de jaren Mitterrand met zijn onbegrensde overheidsuitgaven, staat Frankrijk op de rand van het failliet, er hangt de sfeer van een kater, het pijnlijk wakker worden in een onthutsende realiteit. Hoeveel invloed zo’n klimaat ook op architectuur kan hebben, wordt hier geïllustreerd. Het leidde tot de ‘esthetiek van de doeltreffendheid’, waarmee een bureau als Lacaton & Vassal de aandacht heeft weten trekken. Nu kan, stelt Lapierre, deze bewust ‘armoedige’ architectuur als reactie op de pompeuze tijd van Mitterrand worden gezien, maar ook als een terugkeer naar de bronnen van de Franse architectuur. Inderdaad lijken gebouwen als Ferrier’s extreem eenvoudige RATP-gebouw in Parijs terug te grijpen op de rationalistische traditie die als een rode draad door de Franse architectuur loopt - van Eugène Viollet-le-Duc via Auguste Perret tot Jean Prouvé.
Dat goedkope materialen, lage budgets, ruwe esthetiek en het waarderen van het naoorlogse modernisme, niet tot een grauw minimalisme hoeft te leiden, bewijzen de bureau’s Périphériques, Du Besset & Lyon en Nicolas Michelin. Lapierre toont aan dat er bij deze bureau’s sprake is van een objectieve observatie – een acceptatie - van de ‘banaliteit’ van de Franse stedelijke marge, maar ook van een interesse in de ‘trivialiteit’ van commerciële activiteit, de enige die in deze omgeving nog opwinding en kleur brengt. Zo maken de, ooit in Los Angeles bij Frank Gehry werkende, Du Besset & Lyon opvallende gebouwen die dergelijke commerciële tekens opblazen en vervormd hergebruiken. Door het ‘als architect beter te doen dan de Mac Donald ernaast’, zijn hun kleurrijke openbare gebouwen, die met ideeën als kitsch of overdaad spelen, aantrekkelijker dan winkelcentra. Op dezelfde wijze zet Périphériques in een buitenwijk een muziekcentrum neer dat de omringende bouwvormen als basis gebruikt, maar met andere materialen en gerangschikt op een onverwachte manier. Deze architectonische mimiek is ook aanwezig bij Atelier Provisoire, dat van bruine golfplaten een villa bouwt die sprekend lijkt op de houten schuren er omheen.
Een ander kenmerk van deze groep is de afkeer voor de esthetiek van de ‘façade-architectuur’ en de ‘aansluitende gevelmuren’, die, opgelegd door strenge reglementen en de huidige golf neo-houssmannarchitectuur, het werk van architecten onmogelijk maakt. De negatieve invloed van deze retro-esthetiek op de kwaliteit van woon- en kantoorruimte in Frankrijk zou op zich een studie waard zijn. Zo wordt het overgrote deel van de nieuwe appartementen en kantoren in het Ile-de-France zonder balkons opgeleverd, omdat tot elke prijs een beeld van de ‘prestigieuze’ Parijse stijl met gladde, lege façades moet worden gegeven, vrij van drogende was of sigaretten rokende kantoorklerken. Vandaar dat Du Besset & Lyon vaak ‘façadeloze’ gebouwen met ‘onzekere’ lijnen neerzetten, kantoren van Lacaton & Vassal en Ferrier niet alleen transparent zijn maar ook tot buiten uitstekende vloeren hebben waarmee op iedere etage continu doorlopende balkons ontstaan, wat de onderhoudskosten verlaagt en het werkgenot verhoogt.
Er zijn wel wat vraagtekens te plaatsen bij Lapierre’s selectie. Is bijvoorbeeld Perrault na zijn Bibliothèque Nationale nog wel op zijn plaats in deze groep, ondanks het feit dat hij in de door Lapierre aangehouden leeftijdscategorie valt? En het opvallende maar hier genegeerde bureau Art’M (Poitevin & Reynaud) niet bij uitstek aan de aangehouden criteria? Hoe dan ook, van de twaalf geselecteerde bureaus neemt Rudy Ricciotti de radicaalste positie in. Hij noemt zijn architectuur het tegengestelde van een ‘archikalmeringsmiddel’ (archicalmant) en stelt het als therapeutische kuur voor tegen middelmatigheid. Zijn ingegraven villa Lyprendi bij Toulon steekt provocerend af tegen de neo-provençaalse vila’s op de helling. Een militair camouflagenet zorgt voor bescherming tegen de zon - of vooral voor de veiligheid van de moedige, openlijk moderne bewoners?
Deze militaristische bunker-villa is hét emblematische beeld voor de situatie van de architectuur in het Frankrijk van 2004. Temidden van de overweldigende massa historiserende architectuur is de Franse architect - in een land dat hem nu ook van overheidswege negeert – een soort verzetsstrijder of militant geworden. De strijd lijkt allang verloren, maar dat neemt niet weg dat uit dit dramatische conflict soms heel wat dynamiek en originaliteit naar boven komt. Daarmee kan de gestelde vraag worden beantwoord: in Lapierre selectie bevinden zich drie of vier bureau’s wiens houding, projecten en geschriften het locale ontstijgen, die een algemene waarde hebben en de opvolging van Nouvel en de Porzamparc zullen verzekeren, ook al zal de inzet van deze groep elders liggen. Daarnaast bewijst dit boek dat het - mits je het soort bescheidenheid van Lapierre bezit - gewoon verhelderend kan zijn om architectuur af en toe wél in een nationale context te plaatsen.
© Steven Wassenaar
|
 |